Sarcerius: historisch én actueel

Vandaag mogen we ons gelukkig prijzen met goede theologische universiteiten, zoals de TUA. Dat is niet altijd zo geweest. Na de Reformatie duurde het een poos voordat er voldoende goede opleidingsplaatsen voor reformatorische studenten waren. Nogal wat predikanten waren gebrekkig opgeleid en konden wel wat nascholing gebruiken.

De Duitser Erasmus Sarcerius schreef in 1559 een ‘leerboek voor permanente educatie’ met als titel Pastorale oder Hirtenbuch. Hij stelt onder andere de volgende zaken aan de orde: wat is een ambt, wie mogen er ambtsdrager zijn en hoe bevestig je ambtsdragers? Waarom wordt er gepreekt, wat is een preek en hoe maak je een preek? Wat is een sacrament? Hoe zit het met volwassen- en kinderdoop? Waarin behoort de leefstijl van gelovigen zich te onderscheiden van niet-gelovigen? Wie zijn er wel en wie niet welkom aan het avondmaal, waar ligt de grens?

Ik onderzocht zijn antwoorden. Om het eigene van zijn bijdrage aan de vorming van predikanten op het spoor te komen, vergeleek ik de Pastorale met vier andere pastorale handboeken uit zijn tijd. Op de uitkomsten promoveerde ik op 14 december 2016 aan de TUA. Om te laten zien dat wat Sarcerius schreef nog steeds actueel is, sloot ik mijn dissertatie af met vijfentwintig stellingen, waarvan ik vermoed dat Sarcerius die van harte zou hebben beaamd. Ik noem er drie: 1. In een tijd waarin velen graag ‘feelgoodpreken’ willen horen, blijft het de taak van de gereformeerde prediking ‘het geweten te laten opschrikken’. 2. In evaluatiegesprekken tussen predikant en kerkenraad zou de persoonlijke levenswandel van de predikant en zijn spiritualiteit een vast punt op de agenda moeten zijn. 3. Op basis van Jezus’ onderwijs in Mattheüs 18 zouden gemeenteleden vrijmoediger moeten zijn om elkaar aan te spreken op het punt van levensheiliging. Tucht is een zaak van de hele gemeente.
 
13 maart 2017
Dr. C.T. (Kees) de Groot (docent homiletiek aan de Nederlands Gereformeerde Predikantenopleiding en predikant van de NGK Nunspeet)
 

Dr. C.T. de Groot en zijn twee paranimfen.

Terug naar het TUA-blog